De Bovenlanden van de Kromme Mijdrecht liggen in de polder Groot Wilnis Vinkeveen. Dit waterlichaam maakt onderdeel uit van de Vinkeveenboezem, die als tussenboezem functioneert in het gehele gebied de Ronde Venen. De relatief hooggelegen boezem en de gebieden met min of meer het tussenboezempeil (de bovenlanden, veenweiden en petgaten/plassen) hebben een sterk infiltrerend karakter. Ze liggen ca. 4 meter hoger dan de naastliggende polder Groot Mijdrecht. De laaggelegen droogmakerijen zijn overwegend kwelgebieden. Door de lage weerstand van de bodem zijn de omvang van infiltratie en kwel hier aanzienlijk. Als gevolg van de infiltratie heeft de Tussenboezem vaak een watertekort, vooral in de zomerperiode, waardoor de toevoer van water noodzakelijk is. Het toegevoerde water is veelal afkomstig van het Amsterdam-Rijnkanaal.
Mijdrechtse Bovenlanden (NL11_8_3) heeft watertype “laagveen vaarten en kanalen” (M10) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 53 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
2500-EAG-6 (Polder Groot Wilnis Vinkeveen, Mijdrechtse Bovenlanden)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Utrecht en gemeente(n) De Ronde Venen en Nieuwkoop. Het waterlichaam Mijdrechtse Bovenlanden heeft de status KRW waterlichaam en is in eigendom van particulieren, Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.
De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Laagveen vaarten en kanalen (M10), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen.
De huidige toestand vergeleken met de doelen –ontoereikend
De toestand in Mijdrechtse Bovenlanden (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is ontoereikend. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Fytoplankton. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Abundantie fytoplankton.
Er zitten zowel in de zomer als winter extreem veel algen in het water. Er zijn her en der onderwaterplanten aanwezig. Zowel de biodiversiteit als hoeveelheid macrofauna en vegetatie nemen de afgelopen 10 jaar af. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont een positieve trend (0.32 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Waterflora vertoont een positieve trend (0.11 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont een negatieve trend (-0.18 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Stikstofconcentraties zijn toegenomen gedurende de laatste planperiode, maar dit is niet te zien in de toestandsbepaling omdat deze achteruitgang zich binnen een oordeelklasse afspeelt. Ook het doorzicht is afgenomen (achteruitgang).
Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van deze slechte kwaliteit is de hoge voedselrijkdom van het waterlichaam. De fosfaatgehalten zijn hoog en er zijn aanwijzingen dat de bodem voedselrijk is. Het lichtklimaat is niet op orde. De watergangen zijn te ondiep voor plantengroei. Er zitten grote hoeveelheden karpers in het bovenland. Deze vissoort woelt de bodem om en dat frustreert ontwikkeling van vegetatie.
Maatregelen op hoofdlijnen
De maatregelen zijn gericht op het verminderen van de belasting met voedingsstoffen, bijvoorbeeld door het omleiden van waterstromen, het verdiepen en bezanden van watergangen. Verder richten de maatregelen zich op het verbeteren van de habitatomstandigheden door natuurvriendelijke oevers aan te leggen en op het weren van bodemwoelende vissen. De enige maatregel uit het SGBP1 voor dit gebied was de aanleg van bijna 7 kilometer natuurvriendelijke oever in particuliere watergangen. Op een traject van 123 km is dit te weinig om invloed te hebben op de ecologische beoordeling. Binnen deze oevers groeien planten, maar erbuiten is de bedekking vrijwel overal 0%.
Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.
|
|
Productiviteit water vormt een probleem. De fosforbelasting is hoog. Het gebied dient als doorvoersysteem voor diepe droogmakerijen in de omgeving en er is sprake van nalevering uit de waterbodem in de zeer ondiepe watergangen. De externe belasting ligt redelijk laag en nabij de kritische grens, maar de interne belasting is dermate hoog dat er zeer veel algen bloeien. In dit gebied bestaat er een risico dat bij het verlagen van de verblijftijd blauw- ipv groenalgen ontstaan. |
|
|
Lichtklimaat vormt een probleem. Het lichtklimaat is slecht op plekken waar de waterdiepte voldoende groot is. De oorzaak is een teveel aan algen. Er zijn veel karpers die de bodem omwoelen. |
|
|
Productiviteit bodem vormt een probleem. Er is een dikke laag voedselrijke bagger, mogelijk is er ook sprake van sulfidetoxiciteit. |
|
|
Habitatgeschiktheid vormt een probleem. Karpers belemmeren herstel emerse vegetatie. Weinig vegetatie voor fauna. |
|
|
Verspreiding vormt geen probleem. De doelsoorten zijn in de omgeving aanwezig en kunnen er ook komen. |
|
|
Verwijdering vormt een probleem. Plaatselijk is er te weinig oever- en submerse vegetatie, dit duidt op te intensief onderhoud en/of begrazing door vee en/of vraat door kreeften en ganzen. Ook kunnen Karpers de vestiging van emerse en submerse waterplanten belemmeren. |
|
|
Organische belasting vormt een probleem. Er is sprake van zuurstofloosheid van het water. Er zijn geen overstorten en geen bomen langs het water. Mogelijk komt de organische belasting vanuit de waterbodem. |
|
|
Toxiciteit vormt geen probleem. Het is geen risicogebied. |
Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Evaluatie maatregelen tussenboezem Vinkeveen (2017).
| ESFoordeel | SGBPPeriode | Naam | Toelichting | BeoogdInitiatiefnemer | UitvoeringIn |
|---|---|---|---|---|---|
|
|
SGBP3 2021-2027 | Bezanden watergangen om nalevering uit de bodem te voorkomen | Deze maatregel is alleen zinvol als de visbiomassa voldoende laag is en de watergangen op diepte (>35 cm) zijn. De maatregel wordt uitgevoerd nadat de maatregelen ‘verminderen erosie door vis’ en ‘waterdiepte op maat’ zijn uitgevoerd. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 |
| SGBP3 2021-2027 | Verminderen erosie door vis | Om oeverafkalving te voorkomen en herstel van oevervegetatie te bevorderen. Deze maatregel heeft ook invloed op het lichtklimaat (ESF2). | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Maatregelen in de landbouw om nutriëntenbelasting op de waterlichamen te beperken | Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en Waterdiepte op maat. De maatregel is relevant voor dit waterlichaam, omdat veel watergangen eigendom zijn van agrariërs en grenzen aan agrarische percelen. Precisiebemesting, bodemverbetering en routemaatregelen (bufferzone) zijn maatregelen die opgenomen zijn in agrarische beheerpakketten, investeringssubsidies. We gaan samen met de landbouw een nieuwe stimuleringsregeling voor bovenwettelijke maatregelen nutriënten faciliteren. Vrijwillige maatregelen worden geagendeerd door een watermakelaar en gepresenteerd in studieclubs. Op https://maatregelen-op-de-kaart.nmi-agro.nl/ kan per perceel worden opgezocht welke maatregelen het best uitvoerbaar en nuttigst zijn. Wij zijn regionaal uitgegaan van de goede landbouwpraktijk (GLP) in 2027. De uitworp uit een landbouwpolder neemt daardoor 10% af, voor een belangrijk deel door een grotere retentie door een grotere waterdiepte (meer slootonderhoud) en een afname van meststofverliezen. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Maatregelen in de landbouw om oeverafkalving tegen te gaan | Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer. Bijvoorbeeld door bufferzones en slootranden met diepwortelende vegetatie; er is overlap met pakketten ten behoeve van nutriëntenreductie. Deze maatregel heeft ook invloed op productiviteit bodem (ESF3) en habitatgeschiktheid (ESF4). | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP2 2015-2021 | Maatregelen landbouw om nutrientenbelasting op de waterlichamen te beperken fase 1 | Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Amstellandboezem, Vaarten Ronde Hoep, Vaarten Groot Mijdrecht, Bovenkerkerpolder, Noorderlegmeer, Groot Wilnis-Vinkeveen Zuid, Polder Demmerik, Vaarten Zevenhoven, Tussenboezem Vinkeveen a, Mijdrechtse Bovenlanden, Vinkeveense Plassen, Vecht, Vaarten Vechtstreek, Stichts Ankeveense Plassen, Kortenhoefse Plassen, Spiegelplas, Wijde Blik, Loosdrechtse Plassen, Ster en Zodden, Maarsseveense Zodden en omgeving, Molenpolder en Westbroek | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
| SGBP2 2015-2021 | Omleiden / scheiden waterstromen Amstellandboezem | Voorheen: Aanleggen schoonwaterkering Kromme Mijdrecht. Deze maatregel wordt genomen in de Amstellandboezem, maar heeft ook positief effect voor Vaarten Zevenhoven en Tussenboezem Vinkeveen a en b. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
|
|
SGBP3 2021-2027 | Toepassen van ecologisch onderhoud en baggeren van hoofdwateren | Natuurvriendelijk onderhouden is meestal gericht op niet méér verwijderen dan noodzakelijk is. Dus het beheer aanpassen als er te weinig vegetatie is zodat flora en fauna zich kunnen herstellen. Bij alle hoofdwatergangen van ons gebied is beoordeeld welke uitvoeringsmethode we kunnen en willen uitvoeren. In veel watergangen kan 25% van de vegetatie blijven staan. Vanwege ruimtegebrek is het niet mogelijk om overal 25% te sparen. Deze maatregel is opgenomen voor alle waterlichamen waar dit relevant is. Bij het baggeren zal, waar mogelijk, de oevervegetatie worden gespaard en bij de uitvoering zal worden gekozen voor meer natuurvriendelijke technieken | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 |
| SGBP3 2021-2027 | Stimuleren van verdiepen van watergangen in de Mijdrechtse Bovenlanden | Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Waterdiepte op maat. Inschatting is dat vrijwel het gehele ondiepe areaal op diepte kan worden gebracht. In de praktijk kan het zijn dat dit niet mogelijk is (door loopzand, instabiliteit oevers of opbarstingsrisico’s). Voordat de maatregel kan worden doorgevoerd moeten bronnen van baggeraanwas en de snelheid waarmee er opnieuw bagger ontstaat voldoende bekend zijn. Zonder het verminderen van erosie door vis (een andere maatregel in dit KRW-waterlichaam), is baggeren in dit gebied niet zinvol. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Natuurvriendelijk onderhoud en baggeren van lijnvormige secundaire watergangen | Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en de subsidieregelingen: bijvoorbeeld afrastering slootkanten, drinkbakken voor veedrenking, minder frequent maaien, beheerpakketten ‘baggerspuiten’ en ‘ecologisch slootschonen’ | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Natuurvriendelijk onderhoud van lijnvormige secundaire watergangen: instrumenteel | De Keur laat gebiedsgericht minder frequent schonen toe; implementatie gebeurt in bestuurlijk vast te stellen uitvoeringsprogramma’s onderhoud. Deze maatregel is voor meerdere waterlichamen relevant. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP1 2009-2015 | Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 | Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
| SGBP1 2009-2015 | Herstellen en aanleggen natuurvriendelijke oevers particuliere watergangen Mijdrechtse bovenlanden | Deze waren afgekalfd | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 |
Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.
Dit waterlichaam is opgesplitst omdat ze eigenlijk bestaan uit meer systemen aan twee verschillende zijden van de Amstellandboezem. Deze deelgebieden functioneren anders en hebben vaak verschillende watertypen. Om de huidige toestand en de verbetering of achteruitgang hierin te zien zijn nu kunstgrepen nodig (analyse en toetsing), die tijd kosten en om uitleg vragen. De inspanning qua monitoring hoeft niet gewijzigd te worden, in ieder geval niet voor wat betreft de verplichte monitoring. De inspanning voor de wat betreft maatregelen wordt ook niet anders. Dit waterlichaam is wel gesplitst, maar alleen het waterrijke deel ten oosten van de Kromme Mijdrecht begrensd als een nieuw waterlichaam. De Voordijksche polder hoort nu niet meer bij het waterlichaam, omdat dit gebied te klein is om als waterlichaam te begrenzen en omdat dit gebied geen onderdeel uitmaakt van waterafhankelijke beschermde gebieden of specifiek gebiedsgericht beleid.
In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet) in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam. Hier moet goed in de gaten worden gehouden of er geen karpers tussen de oeverlijn en bescherming van de oever bevinden. Deze beperken de effectiviteit van de aangelegde NVO’s. Het is in dit waterlichaam wenselijk om macrofauna te gaan meten, omdat er maatregelen gericht zijn op het verbeteren van dit element en omdat de biodiversiteit een neerwaartse trend laat zien.
Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).
Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.
Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.
Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.
Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.
Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.
Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.
Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.
GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.
EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.
KRW Kaderrichtlijn water
N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).
EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.
Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.
Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.
Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.
Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.
GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.
SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.
Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.